Jongeman, hier woonden heren

Met het vertrek van Zoë Vanhove eindigde in 1957 een eeuwenoude traditie van Meulebeekse kasteelheren. Enkele jaren later verkocht de eigenaar, de Oudenaardse familie Thienpont, het domein aan de gemeente, die het op haar beurt ter beschikking stelde van het dakloze V.I.L.O. Zo werd “Ter Borcht” een onderwijsinstelling, een thuishaven voor vele generaties jongeren. Weinigen onder hen beseffen evenwel dat hun gonzende bijenkorf eens de stek was van echte heren.

De oorsprong van “Ter Borcht” blijft mysterieus. Bronnen vermelden in 1215 en Willem van Bethune, “dominus (heer) de Meulebeke” (1). Omstreeks 1283 wordt melding gemaakt van het “manoir” (2). We moeten er ons niet teveel van voorstellen: een bescheiden, versterkte herenwoonst, wellicht op een omwalde mote (cf. huidige site), met een neerhof en andere dienstgebouwen. Dat domein werd verkocht, geërfd of verworven door huwelijk, tot het na flink wat ruzie en juridisch touwtrekken, in handen van het geslacht de Beer belandde. “Ter Borcht” werd niet doorlopend bewoond, het betrof veeleer een buitenverblijf of “huys van playsantie (3). Zo betrok Charles de Beer (V1578) pas op hogere leeftijd zijn landgoed. Het huis ademde een zekere welstand uit. Er was de “salette” (pronkkamer) behangen met “tapisserie”, verscheidene slaapkamers waarin ledikanten stonden, versierd met een “behancxsel (...) ghesteken ende gewrocht metter naelde (.. .)”, een “cnechtencamere”, keuken en zolders, enz ... (4).

Dit gebouw vertoonde misschien enige overeenkomst met het kasteel dat Sanderus tekende in het tweede kwart van de 17de eeuw (5). Het is de enige, vrij nauwkeurige afbeelding van het oude huis. Sanderus toont een eenvoudige herenwoonst, langgerekt onder een zadeldak tussen twee trapgevels en een bijgebouw eveneens door een trapgevel afgesloten. Enkel de uiterst evenwichtig opgebouwde westgevel bevat vensteropeningen. Hij bestaat uit drie traveeën, een beneden-, een boven- en twee zolderverdiepingen. De lange noordelijke blinde gevel komt eerder afstandelijk over. Dit bouwwerk betekende waarschijnlijk de eerste fase van een grotere bouwcampagne die, toen Sanderus Meulebeke bezocht, niet voltooid was.

Immers, wanneer Nicolas de Beer (V1660) in 1654 een landboek van de parochie (6) liet samenstellen, werd daarin een slordige, eerder onnauwkeurige situatieschets (met gevels in opstand) van het domein opgenomen. De tekenaar beeldde het kasteel af met dubbele puntgevel. De woning werd bijgevolg zo goed als in omvang verdubbeld voor 1654. Het lijkt aanvaardbaar dat naast de bestaande trapgevel een identiek exemplaar werd opgetrokken. Deze situatie zou het karakter van de gevel blijvend bepalen. Deze hypothese wordt bevestigd door het volgende: een dikke muur snijdt het huidige gebouw van oost naar west doormidden. Die muur vertoont dezelfde dikte als de drie overige buitenmuren en is waarschijnlijk de blinde buitenmuur van de eerste bouwfase.

In 1655 verhief koning Filips IV de heerlijkheid Meulebeke tot baronie. Zo beloonde de Spaanse vorst Nicolas de Beer voor zijn strijdlustige inzet aan de zijde van de Spaanse legers. Meulebeke bleef tijdens de 17de eeuw niet gespaard van verwoesting, uitpersing en militaire terreur. De populaire Gaspard de Beer bemiddelde waar mogelijk, maar hij kon niet verhinderen dat zijn kasteel jarenlang door legertroepen werd bezet. Zijn zoon Robert-François herstelde de schade en vestigde zich met zijn gezin op “Ter Borcht”.

Met de jaren breidden de bezittingen van de familie de Beer zich zodanig uit, dat de kinderen van Robert-François in financiële moeilijkheden raakten en alle eigendommen hypothekeerden. Toen baron Filips-Alexander (1710-1768) kinderloos overleed gingen alle bezittingen over op Jan-Jozef de Beer (1717-1791), kanunnik en later proost van Sint-Salvador te Harelbeke. Niettegenstaande zijn erbarmelijke financiële toestand, ontpopte baron de Beer zich tot een ware mecenas: zo schonk hij de Harelbeekse kapittelkerk twee prachtige marmeren zijaltaren, de parochiekerk te Meulebeke werd met marmer gestoffeerd: vloer- en wandbekleding, drie altaren, een orgelkast en een grote witmarmeren zerk voor het familiegraf in het kerkkoor. De kasteelkapel onderging een opknapbeurt. Vanaf 1780 begon proost de Beer een aantal bezittingen (met hypotheek) weg te schenken aan neven en nichten (giftige cadeaus!). Op die manier kreeg graaf Robert de Lens de baronie Meulebeke. Na de dood van Jan-Jozef kwam hij met zijn vrouw op het kasteel wonen. Opnieuw armoe troef, want boven op de geërfde schulden kwam de Franse Revolutie die alle heerlijke rechten en renten afschafte. Na het overlijden van zijn ouders verkocht Philippe de Lens systematisch het domein. In 1819 raakte de inboedel verkocht, kort daarna kwam het kasteel onder de hamer. Een plaatselijke handelaar, Leonard Loncke (1776-1856), kocht het en vestigde er zich met zijn gezin. Hij gaf het gebouw waarschijnlijk zijn huidig uitzicht. Dochter Barbara huwde dokter Leo Thienpont en bracht het goed in handen van de bekende Oudenaardse familie die het domein een eeuw lang in bezit hield. Tussen 1919 en 1952 werd “Ter Borcht” bewoond door Edgar Van Bavegem (1880-1952), begaafd kunstschilder, uitvinder en burgemeester van Meulebeke (1921-1927). Na het overlijden van zijn vrouw, Marie Thienpont (1877-1941), hertrouwde Edgar met Zoe Vanhove die, na de dood van haar man, tot 1957 in Meulebeke bleef wonen.

Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw onderging het kasteel ingrijpende wijzigingen. De westelijke trapgevels kregen zowaar een facelift en werden naar eigentijds model verbouwd. De trapgevels van de achterzijde werden evenwel gerestaureerd. Die toestand bleef tot in 1966 bewaard. De komst van het V.I.L.O. zorgde uiteraard voor een aantal ingrepen, niet steeds even geslaagd. Zo werd tegen de zuidelijke gevel een eetzaal opgetrokken, aanvankelijk een bescheiden gebouwtje dat met het bestaande harmonieerde, vanaf 1983 het glas- en betoncomplex dat, hoewel uiterst efficiënt, esthetisch geen voldoening schenkt.

Het ontbreekt de vrij originele toegangsgevel niet aan monumentaliteit. Vooral de twee, vrijwel identieke, bepleisterde halsgevels imponeren. Ze worden op neoclassicistische wijze door een rondbogig fronton met siervaas bekroond. De uiterst evenwichtig opgebouwde gevel telt zes traveeën, met o.a. de toegangsdeur. Boven een mooi geprofileerde arduinen plint wordt de benedenverdieping versierd met bossage die uitstraalt boven de venster- en de deuropeningen. Geprofileerde lijsten scheiden de verdiepingen van elkaar. Boven het tweede en vijfde venster van de verdieping bevindt zich een segmentvormig fronton, boven de andere een uitgewerkt paneel. De rondboogvensters van de zolderverdieping zien uit op een natuurstenen balkon met smeedijzeren balustrade. De balkons rusten op voluteconsoles. (Loden?) siervazen op natuurstenen sokkels zorgen voor de finishing touch. Het valt te betreuren dat omstreeks 1966 de vensterluiken werden verwijderd. Daardoor ging het bedrieglijk spel van blinde vensternissen grotendeels verloren.

Ook de noordelijk georiënteerde gevel blijkt een typisch negentiende-eeuws product. Opnieuw het klassieke vormenarsenaal: natuurstenen plint, omlijste vensters, benedenverdieping met bossage, lijstwerk, een mooi uitgewerkt hoofdgestel met kroonlijst, tandlijst, consoles en rechthoekige panelen. De schikking van de vensteropeningen vertoont geen volgehouden regelmaat. Waarschijnlijk diende de ontwerper rekening te houden met de bestaande indeling van het gebouw.

Twee ongelijke trapgevels bepalen het karakter van de oostgevel. Ze worden deels van het oog onttrokken door de 19de-eeuwse uitbreiding boven de remise. De sterk vooruitspringende middenpartij, versierd met arduinen banden, verleent het geheel een uitgesproken neoklassiek karakter. Drie rondoverspannen vensteropeningen bevinden zich onder een omlijste oculus die oorspronkelijk een zolderruimte verlichtte. Het licht hellend zadeldak suggereert een breed fronton. Onder de vensterpartij bevindt zich een versierd paneel in stucwerk. De grote toegangspoort eronder, met arduinen omlijsting, verdween toen in 1966 de stallingen (twee gebouwtjes loodrecht tegen de remise aangebouwd, aan weerszijden van de poort) met elkaar werden verbonden en verbouwd om er een conciërgewoning in onder te brengen.

Van de zuidelijke gevel raakte nagenoeg de complete benedenverdieping opgeslorpt in de recente nieuwbouw (eetzaal). Ook de vijfhoekige slotkapel verdween deels achter de moderne constructie. De verdieping van deze uiterst sobere gevel behield haar oorspronkelijke ordening. Onder een eenvoudig hoofdgestel met kroonlijst bevindt zich een tweede, gedrongen verdieping. Kleine rechthoekige vensters wisselen af met verdiepte panelen.

Men betreedt het kasteel via de ruime vestibule. Deze eenvoudige ruimte werd tijdens de verbouwingswerken van 1966 grondig aangepakt. Zo verdween de oude vermolmde trap en werd midden de hal een enorme betonnen zuil neergepoot om de trapconstructie te schragen. De scheidingsmuur tussen hal en kapel werd neergehaald. Een en ander valt af te lezen uit het bonte spel van diverse formaten vloertegels onder de trap. De mooie witmarmeren vloer verleent de vestibule en de er achter gelegen gang een zekere eenheid. Die lange gang snijdt het gebouw middendoor en geeft uit op de remise. Zuilen en pilastertjes met kapitelen en rondbogen verzachten de vrij strakke lijn.

Rechts van de hal bevindt zich de kapel met sacristie. Het is deze gebedsruimte die door kanunnik Jan-Jozef  de Beer omstreeks. 1780 werd verfraaid. Hij maakte van de bouw- en stofferingwerken van de Harelbeekse kapittelkerk dankbaar gebruik om ook zijn huiskapel te “moderniseren”. Zo bestelde hij bij de Naamse “maitre-marbrier” Dieudonné De Lair een nieuwe marmeren vloer (7). De Lair werkte een ingewikkeld schema uit, gebaseerd op de bisschoppelijke kapel van Namen, met gebruikmaking van vier soorten marmer. Ook nieuwe marmeren treden voor het altaar werden ontworpen. De grijsmarmeren treden en de bevloering in witte, zwarte, grijze en roodbruine marmer bleven grotendeels bewaard. Helaas werd het oorspronkelijke schema door enkele ongelukkige ingrepen verstoord. Het gemarmerd houten altaar is wat rest van het vroegere portiekaltaar. Waarschijnlijk dateert het uit de tweede helft van de 18de eeuw. Tijdens de schoonmaakwoede van 1966 verdween met de altaardoek (een Hemelvaart van O.L.Vrouw voorstellend) tevens de architecturale omlijsting bestaande uit ronde zuilen, een fronton, allerlei versieringen (guirlandes engelenhoofdjes,.. .), enz . De onderbouw van het altaar is een evenwichtig geheel. Centraal prijkt een medaillon – het kind Jezus voorstellend - in een vergulde omlijsting. De zijwanden worden ondersteund door voluten in de vorm van gevleugelde engelenhoofden en neerhangende bloemenslingers. Het tonggewelf van de kapel is rijk met stucwerk versierd, in 18de-eeuwse traditie. Een venster werd dichtgemaakt, het resterende werd door een recent exemplaar vervangen dat door de raamindeling vloekt met het interieur.

Tegenover de kapel situeert zich het grote empire salon. Deze goed geproportioneerde ruimte herbergt een strenge zwartmarmeren schoorsteenmantel. De schoorsteenboezem is in empirestijl gedecoreerd. Twee ronde zuilen met palmbladkapitelen flankeren een ingewerkte spiegel. Ze dragen een fijn kornis met entablement. Boven de spiegel bevindt zich een verdiept paneel met verguld empiremotief: een leeuwenkop in eikenkrans die uitloopt in empirebladwerk met horizontale palmetten. Rond het plafond loopt een brede sierlijst met rozetten.

De overige vertrekken van de benedenverdieping kregen een nog soberder aankleding: brede profiellijsten met rozetten en empiregetinte marmeren schoorsteenmantels. Alles ademt een landelijke, vroeg 19de-eeuwse sfeer uit van eenvoud en degelijkheid.

De opmaak van de remise is duidelijk van recentere datum (2de kwart 19de eeuw). Het plafond van deze grootse ruimte wordt door versierde moerbalken in drie vlakken verdeeld. Kooflijsten, profiellijsten, overdadige versiering met blad- en bloemmotieven en het kwistig gebruik van “pendants” in de hoeken van de plafondvlakken, verlenen deze zaal een zwaarwichtig en rijk karakter. Pilasters in Lodewijk XVI-stijl schragen de moerbalken. De ruimte-ervaring wordt sterk gehinderd door een later gebouwd sanitair blok dat de derde koetspoort verbergt. Daardoor ging de architectuur van de convexe muren voor het grootste deel verloren.

De verdieping telt aan weerszijden van de gang (andermaal de obligate zuilen, pilasters en bogen) een aantal slaap- en linnenkamers en vooral de grote blauwe zaal (receptiezaal). Deze laatste vertoont dezelfde stijlkenmerken als de remise. Ook hier twee draagbalken die het plafond in vakken verdelen. Verder behielden een tweetal voormalige slaapkamers hun oorspronkelijke decoratie. Een kamer bevat een mooie grijsmarmeren schoorsteenmantel in Lodewijk XV-stijl en een boezem versierd met pilasters. Nagenoeg alle vertrekken kregen een sobere opsmuk. Blijkbaar werd het gehele gebouw in de eerste helft van de 19de eeuw grondig gerenoveerd.

Het huidige “Ter Borcht” is op het eerste gezicht een schoolvoorbeeld van vroeg19de-eeuwse bouwkunst, zowel wat exterieur als binneninrichting betreft. Enkel de trapgevels en de kapel suggereren een stuk voorgeschiedenis. Hoewel veel behouden bleef, verloor het kasteel door opeenvolgende verbouwingen een stuk historische authenticiteit.

Moge het gebouw gevrijwaard blijven van verdere aftakeling en een zinvolle bestemming behouden.


Voetnoten:

  1. J. Noterdaeme in De Leiegouw, Jg. XIV, afl. l, 1972, p. 19.
  2. Dehaisnes en Finot, Inventaire sommaire des Archives departementales antérieures à 1790. Serie B, Tome I, dl 1, Lille, 1899, p. 269.
  3. RAK, Fonds Kerkfabriek Meulebeke, nr. 61: Staat van goed van Charles de Beer, 1578.
  4. Idem.
  5. A. Sanderus, Flandria Illustrata, Keulen, 1641 - 1644.
    A. Sanderus, Verheerlykt Vlaandre, Den Haag, 1732-35, II, p.23
  6. Gemeentearchief Meulebeke: Landboek 1654
  7. Rijksarchief Kortrijk (Harelbeke), nr. 5102. Briefwisseling D. De Lair rond bestelling, levering en betaling marmer voor de altaren Meulebeekse parochiekerk en voor de “castrale kapel”.

We hebben met dank gebruik kunnen maken van de Brochure die Genoveva Baert samenstelde naar aanleiding van de tentoonstelling rond de bewoners van “Ter Borcht” (september 1990).

CARLOS DEVOS
Internaatsbeheerder

(verschenen in viloskoop nr. 5 - maart 1991)